Lies’l Goossens: “Het is tijd dat we echt kijken naar kinderen van gedetineerde ouders”
Lies’l Goossens won de Jaap Doek Kinderrechtenscriptieprijs voor haar onderzoek naar kinderen van wie een ouder in detentie zit én kinderen die samen met een ouder in detentie verblijven in België. Wat onderzocht zij precies? Wat vertellen kinderen zelf over een ouder in detentie? En wat kunnen andere landen, zoals Nederland, hiervan leren? We spraken haar over haar bevindingen.
Waarom koos je voor onderzoek naar kinderen van én met een gedetineerde ouder?
“Het thema ‘kinderen van gedetineerde ouders’ werd mij aangereikt als mogelijk scriptieonderwerp. Toen ik me erin verdiepte, merkte ik hoe weinig beleidsaandacht er in België is voor deze groep – zowel voor kinderen buiten de gevangenis als voor kinderen die met een ouder in detentie verblijven. Dat riep bij mij meteen de vraag op: wordt er wel voldoende rekening gehouden met hun rechten? Ze hebben zelf niet altijd de middelen om voor hun rechten op te komen. Dat gaf mij een sterk verantwoordelijkheidsgevoel om dit verder te onderzoeken.”
Wat heb je precies onderzocht?
“Mijn centrale vraag was hoe het Belgische beleid kan worden hervormd om de rechten van kinderen in een detentiecontext beter worden gerespecteerd en beschermd, in lijn met internationale en Europese standaarden.
Ik analyseerde Belgische wetgeving en rechtspraak en toetste die aan internationale kinderrechtenstandaarden, zoals het VN-Kinderrechtenverdrag en Europese mensenrechtennormen. Op basis daarvan ontwikkelde ik twee toetsingskaders waarmee je beleid systematisch kunt evalueren.”
Hoe heb je de ervaringen van kinderen meegenomen?
“Naast wetgeving en rechtspraak heb ik ook bestaande ervaringsverhalen en interviews van kinderen en ouders geanalyseerd. Die verhalen geven inzicht in hun belevingswereld en maakten duidelijk welke impact detentie heeft op het dagelijks leven van gezinnen. Ze vormden een belangrijke aanvulling op de juridische analyse.”
Wat vertellen kinderen over het hebben van een ouder in detentie?
“De impact is groot. Kinderen ervaren vaak gevoelens van angst, verlatenheid en eenzaamheid. Daarnaast speelt stigma een belangrijke rol. Binnen gezinnen wordt detentie soms verzwegen of krijgen jonge kinderen te horen dat een ouder ‘op vakantie’ is. Maar kinderen voelen dat er iets niet klopt en gaan zelf verklaringen zoeken — soms ingrijpender dan de werkelijkheid. Daarom is het belangrijk om er op een passende manier wél open over te spreken. Ook zie ik dat hulpverlening vaak niet proactief wordt aangeboden. Kinderen moeten zelf hulp zoeken, terwijl ze daar meestal niet toe in staat zijn. Dat kan leiden tot isolement en extra belasting.”
Wat verraste of raakte je het meest?
“Dat België voor beide groepen kinderen slechts aan één van de vijf kinderrechtencriteria voldoet die ik heb opgesteld. Ik had tekortkomingen verwacht, maar niet in deze mate. Het raakte mij dat deze kinderen vaak onzichtbaar blijven in beleid. Ze worden, onbedoeld misschien, aan hun lot overgelaten.”
Welke veranderingen zijn volgens jou het belangrijkst?
“Een paar concrete aanbevelingen zijn:
- Registratie van kinderen van gedetineerde ouders, zodat zichtbaar wordt om hoeveel kinderen het gaat;
- Betere, kindvriendelijke informatievoorziening over detentie en contactmogelijkheden;
- Voorzie in elke gevangenis in voorbehouden kinderbezoekersruimtes;
- Geen automatische leeftijdsgrens voor kinderen die in detentie verblijven met een ouder, maar een individuele beoordeling in het belang van het kind;
- Meer inzet op kleinschalige detentiehuizen, waar maatwerk mogelijk is.”
Zie je ook paralellen met Nederland?
“Om echt een goed oordeel te vellen, zou ik specifiek onderzoek naar Nederland moeten doen. Maar ik zie wel dat er in Nederland verschillende positieve initiatieven bestaan, zoals de kindcheck en specifieke ouder-kindprogramma’s. Tegelijkertijd spelen ook daar stigma en beperkte zichtbaarheid een rol. Mijn toetsingskaders zijn zo opgezet dat ze ook in andere landen, waaronder Nederland, kunnen worden toegepast. Ze kunnen helpen om te evalueren waar beleid nog tekortschiet en waar verbetering mogelijk is.”
Wat betekent het voor jou om deze prijs te winnen?
“Het is een mooie erkenning van de kwaliteit van mijn onderzoek, maar nog belangrijker: het geeft mij de kans om deze kinderen zichtbaarder te maken. Ik heb mijn scriptie geschreven met hen in gedachten. Ik hoop dat mijn onderzoek niet in een lade verdwijnt, maar daadwerkelijk wordt gebruikt om beleid te verbeteren.”
Wat hoop je dat jouw onderzoek uiteindelijk oplevert?
“Dat beleidsmakers mijn toetsingskaders gebruiken om concreet beter beleid te maken. Uiteindelijk gaat het erom dat kinderen van gedetineerde ouders niet nog extra schade ondervinden doordat hun rechten onvoldoende worden beschermd. Het is tijd dat we stoppen met wegkijken en werkelijk kijken naar hun situatie.”