29 september 2006
De rechter heeft bepaald dat Hui Chen en zijn moeder voorlopig in vreemdelingenbewaring moeten blijven zitten. Sinds dinsdag 19 september 2006 zit de 8-jarige Hui in de gevangenis in Zeist. Zijn advocaat had onmiddellijk opheffing van de vreemdelingenbewaring gevraagd. Afgelopen woensdag, 27 september 2006, diende dit beroep bij de rechtbank in Zutphen en vandaag, 29 september 2006, deed de rechter uitspraak.
Aan de grond 'vermoeden van onttrekking aan uitzetting' wordt volgens de rechter voldaan omdat de moeder niet beschikt over een identiteitspapier, zich niet houdt aan de vertrektermijn en zelf niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank overweegt dat door de inbewaringstelling 'de mogelijkheid van uitzetting wordt veiliggesteld doordat permanent kan worden toegezien op de van eisers te verlangen inspanningen tot terugkeer'.
De rechter benadrukt dat aan Hui Chen geen vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, die geldt immers alleen voor zijn moeder. Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zet de rechter buitenspel met de mededeling dat de artikelen 2 (non-discriminatiebeginsel), 22 (bijzondere bescherming voor asielzoekers- en vluchtelingenkinderen) en 37 (recht op vrijheid) niet direct toepasbaar zijn. Bovendien verwijst de rechter naar de uitspraak van de Raad van State van 4 juli 2003 (JV 2003/368) waarin de Raad stelde dat het IVRK 'geen aanspraken schept voor kinderen van ouders aan wie op grond van de Nederlandse vreemdelingenwet en – regelgeving geen verblijf wordt toegestaan'.
Tot zover de bekende, trieste reflectie van de wijze waarop de Raad met het Kinderrechtenverdrag omgaat.
Nieuw is de wijze waarop de rechter nagaat of de belangen van Hui zijn meegenomen in de beslissing om hem en zijn moeder op te sluiten. De belangenafweging is niet kenbaar vanuit het procesdossier. De rechter neemt er genoegen mee dat er tijdens de vertrekgesprekken met de moeder is gesproken over de mogelijke bewaring en de belangen van Hui die hierbij in het geding zijn. Bovendien, zo stelt de rechter, zijn die belangen in dit beroep bij de rechtbank uitgebreid aan de orde geweest.
De rechter erkent dat de voorzieningen in Zeist beperkt zijn en dat langdurig verblijf van kinderen daar ontoelaatbaar is. Bij een eventueel volgend beroep moet de Minister aantonen dat in het detentiecentrum de voorzieningen afgestemd zijn op de leeftijd en aan de behoeften van Hui.
Defence for Children International is uiteraard teleurgesteld over de uitspraak. Het gemak waarmee het IVRK wordt gepareerd strookt niet met de verplichtingen die de Nederlandse overheid is aangegaan toen zij het Verdrag ratificeerde. De wijze waarop de belangen van Hui zijn meegenomen in de beslissing is mager en ook hierbij is de verantwoordelijkheid volledig op de ouder afgeschoven. Hui beleeft een erg moeilijke en angstige tijd in Zeist en het is schokkend om te lezen dat de rechter het lijden niet voldoende meeneemt in zijn overwegingen.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.