22 september 2006
In een bijdrage van Bart Groeneweg en Adri van Montfoort over de jeugdzorg in de NRC van 15 september 2006 wordt gepleit tegen de plannen van regeringscommissaris Van Eyck om de jeugdzorg naar de gemeenten over te hevelen. Klik hier voor het betreffende artikel. Ik heb daar een reactie op geschreven, die op verzoek van de NRC fors is ingekort en vervolgens door de redactie nog verder is gereduceerd (zie NRC 20 september 2006). Ik ben bang dat mijn boodschap niet meer duidelijk is. Daarom hierbij de volledige oorspronkelijke tekst.
Minder regels en minder ambtenaren voor meer ruimte voor de jeugdzorgers, dat is het advies van Bart Groeneweg en Adri van Montfoort in het NRC van 15 september 2006 om de problemen in de jeugdzorg op te lossen. Zij verzetten zich tegen het voorstel van regeringscommissaris Steven van Eyck om de jeugdzorg van de provincies over te dragen naar de gemeenten.
Ik ben het met de architect (Van Montfoort) en een uitvoerder (Groeneweg) van de jeugdzorg eens dat de jeugdzorg te veel regels heeft, in ieder geval niet de bruikbare. Maar er is meer: de Wet op de Jeugdzorg bevat een structurele weeffout: het jeugdzorgstelsel is gebaseerd op het idee dat het mogelijk is dat één instantie (Bureau Jeugdzorg) in staat is bij problemen rond opvoeden en opgroeien precies uit te maken wat er aan de hand is met dat kind, die jongere, dat gezin, die ouder. En op basis van deze analyse zou het dan mogelijk zijn een bepaalde behandelingswijze voor te schrijven, of er - zoals het in het jeugdzorgjargon heet - een indicatie voor af te geven. Met dat indicatiebesluit kan de cliënt dan terecht bij een jeugdzorgaanbieder voor ambulante behandeling of een uithuisplaatsing naar pleegzin of internaat. Als jeugdpsychiatrie nodig is, wordt men bij de deur van de jeugdpsychiater opnieuw onderzocht (zoals laatst bleek uit een rapport van de jeugdzorginspectie).
Het model van verwijzing is afgekeken van de gezondheidszorg, alleen – en dat is het essentiële probleem van de jeugdzorg – de technologie van de jeugdzorg is niet zo ver ontwikkeld als de medische. Bij een gebroken been weet ieder ziekenhuis precies wat er moet gebeuren, bij een gebroken gezin ligt het medicijn niet klaar. De apotheek van de jeugdzorg is slecht gevuld. De jeugdzorg, zo placht de vorig jaar overleden psychiater Andries van Dantzig te zeggen, staat op het primitieve niveau van de geneeskunde van de middeleeuwen. Er zijn weinig succesvolle behandelingsmethoden. Er wordt vlijtig gewerkt aan evidence based practices. Er zijn criterialijsten voor what works, maar het zijn in mijn ogen wat krampachtige pogingen om te laten zien, dat de jeugdzorg wel degelijk een professie met vaardigheden en technieken is. Er bestaat geen vanzelfsprekendheid van effect en resultaat in de jeugdzorg.
Dat moet men de jeugdzorgers niet kwalijk nemen. De menselijke interactie tussen opvoeders en kinderen laat zich niet zo gemakkelijk vangen in systemen en methodieken. De fout begint echter wanneer men op basis van zo'n zwak inhoudelijk fundament een heel wettelijk systeem gaat bouwen. Dat wil niet zeggen, dat wij alle kinderen en hun ouders maar in de kou moeten laten staan. Het gebrek aan sociale technologie kan gecompenseerd worden door beschikbaarheid en betrokkenheid, door intuïtie en ervaring, door toewijding en compassie. En het beleid hoeft dat alleen maar te vertalen in tijd: beschikbaar zijn voor gezinnen in problemen kost tijd (en dus geld). Een erkenning van de cruciale beperkingen van de jeugdzorg moet dan ook leiden tot meer tijd en minder regels.
Maar minder regels is niet genoeg. In de jeugdzorg hebben we met het Bureau Jeugdzorg en de jeugdzorgaanbieders vooral de specialistische hulp geregeld. Wat ontbreekt, is de onderbouw van de jeugdzorg, de huisartsenpost voor het pedagogisch domein. Daarom mogen wat mij betreft de provincies de specialistische jeugdzorg blijven aansturen, maar dient op gemeentelijk niveau de voorpost van de jeugdzorg te worden ingericht: een Centrum voor Ouder en Kind in elke buurt. De kern van zo'n centrum kan het consultatiebureau zijn en daar kan nog van alles aan worden toegevoegd. Wanneer vragen nog geen problemen zijn en wanneer de situatie thuis wel zorgelijk, maar nog niet uit de hand gelopen is, dan moet advies en hulp gemakkelijk en vanzelfsprekend beschikbaar zijn: geen intake, maar inloop. Met een centrum voor jeugd en gezin kunnen we meteen beginnen. Er hoeft – voorzover ik kan overzien – geen wet voor gewijzigd te worden. Gemeenten kunnen zo aan de slag. Er zijn hier en daar al veel belovende voorbeelden (bijvoorbeeld in de RAAK-regio's). En de nieuwe regering hoeft alleen maar een paar honderd miljoen ter beschikking te stellen.
En over een paar jaar kunnen we dan eens gaan kijken of we de Wet voor de Jeugdzorg moeten aanpassen. Dan zal wel blijken dat de provincies inderdaad een overbodige bestuurslaag in de jeugdzorg is en of het wettelijk recht op jeugdzorg voldoet aan de kwaliteitscriteria die uit het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn af te leiden.
mr. Stan Meuwese
directeur Defence for Children International
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.