4 april 2007
DNA-afname bij minderjarige veroordeelden is sinds februari 2005 mogelijk. Uit het in maart 2007 verschenen eerste jaarverslag van de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken, blijkt dat al van ruim 1600 minderjarigen ouder dan elf jaar materiaal in die databank is opgeslagen. Defence for Children International is geschokt door dit hoge aantal en vindt elk geregistreerd kind in de DNA-databank er één teveel.
Op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan de officier van justitie bevelen dat van een veroordeelde, die een delict heeft gepleegd waar meer dan vier jaar gevangenisstraf op staat (waar ook delicten als diefstal, een vechtpartijtje op het schoolplein en bepaalde vormen van vernieling onder vallen), celmateriaal afgenomen wordt. Deze wet maakt geen onderscheid tussen meerderjarigen en minderjarigen. In het jaarverslag van de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken worden minderjarigen alleen genoemd onder de kop 'bijzondere onderwerpen'; onderwerpen die aanleiding geven tot discussie. Voor de rest worden minderjarigen in het verslag gewoon meegenomen in het geheel. Terwijl het wel een aantal van 1600 minderjarigen betreft, dat is zeven procent van het totale aantal geregistreerden.
Bij het maken van de Wet DNA-afname bij veroordeelden lijkt het dat men vergeten is dat Nederland een bijzonder jeugdstrafrecht heeft, waarbij pedagogische beginselen voorop staan. Kinderen en jongeren moeten kunnen leren van hun fouten. Dat wordt teniet gedaan door een DNA-profiel van de minderjarige op te slaan in een databank en op deze manier de minderjarige te beschouwen als potentiële recidivist. De pedagogische invulling van het jeugdstrafrecht komt ook voort uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het jeugdstrafrechtsysteem dient in overeenstemming te zijn met artikel 40 IVRK: recht op een rechtvaardige en met de leeftijd van het kind rekening houdende behandeling en recht op eerbiediging van het privéleven. De leeftijd van kinderen brengt met zich mee dat zij in het bijzonder kwetsbaar zijn voor stigmatisatie.
Tegen de afname van het celmateriaal kan geen bezwaar gemaakt worden. Wel tegen het opslaan ervan, dus pas nadat het DNA-materiaal is afgenomen. Juridische procedures zorgen in de praktijk voor verschillende interpretaties. Door een aantal rechtbanken wordt er een belangenafweging gemaakt. Hierbij wordt gekeken of het belang van het kind zwaarder moet wegen dan het maatschappelijke belang. Volgens artikel 3 IVRK dient het belang van het kind een eerste overweging te vormen. Dit is echter geen landelijk beleid. Defence for Children vindt dat, in het kader van de huidige wet, deze belangenafweging bij minderjarigen in alle gevallen plaats moet vinden. Daarnaast dient het beleid van justitie consequent te zijn op dit punt. Beter nog is een wetswijziging, waarbij minderjarigen worden uitgesloten van de afname en het opslaan van een DNA-profiel, zodat jongeren weer met een schone lei kunnen beginnen nadat ze hun straf erop hebben zitten. Dat zou het jeugdstrafrecht pas echt zijn pedagogische karakter teruggeven.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.