© Powered by SiteSpirit

 
bezoek ecpat.gif
 

Bannner Defence fro Children.jpg
Help ons - doneer nu!.jpg
2004-1 picto kl wij blijvenv2.png

Kinderen zonder verblijfsvergunning mogen nooit op straat worden gezet



webshop.png

Beleid van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot kinderen zonder verblijfstitel

1 november 2004


Defence for Children International Nederland is van mening dat het Kinderrechtenverdrag de Nederlandse regering verplicht alle kinderen die zich op Nederlands grondgebied bevinden, dus ook 'illegale' kinderen, te beschermen. Defence for Children is dan ook verheugd dat de Raad voor de Kinderbescherming, na vele jaren wikken en wegen, uiteindelijk een beleidsuitgangspunt heeft geformuleerd over deze kwestie. Dit uitgangspunt luidt als volgt: De Raad beschermt in Nederland verblijvende kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, ongeacht hun verblijfsstatus. De Raad treedt op in kinderbeschermingswaardige situaties, ook voor kinderen zonder verblijfstitel, zowel civiel- als strafrechtelijk. De insteek voor de Raad is bij kinderen zonder verblijfstitel hetzelfde als bij legaal hier verblijvende buitenlandse kinderen en bij Nederlandse kinderen. (Zie hieronder voor de rest van de tekst)


Beleidsuitgangspunt
Op grond van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), de nationale wetgeving en de daarop gebaseerde missie, visie en doelstelling van de Raad, geldt voor de zaken van kinderen zonder verblijfstitel het volgende beleidsuitgangspunt. De Raad beschermt in Nederland verblijvende kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, ongeacht hun verblijfsstatus. De Raad treedt op in kinderbeschermingswaardige situaties, ook voor kinderen zonder verblijfstitel, zowel civiel- als strafrechtelijk. De insteek voor de Raad is bij kinderen zonder verblijfstitel hetzelfde als bij legaal hier verblijvende buitenlandse kinderen en bij Nederlandse kinderen.


Kanttekeningen bij beleidsuitgangspunt  


  • Indien er twijfel bestaat over de, verblijfsstatus van een minderjarige of diens ouders, dan wordt dit aspect altijd meegenomen in het onderzoek;
  • De Raad neemt vanuit zijn missie en doelstelling het kind als invalshoek voor zijn handelen en bekijkt in iedere zaak van een kind zonder verblijfstitel of het ontbreken van die titel relevante betekenis voor het handelen heeft. Hierbij wordt dus elke zaak van een kind zonder verblijfstitel op haar eigen merites beoordeeld, net zoals in iedere raadszaak gebeurt;
  • De Raad werkt in alle gevallen zorgvuldig en terughoudend als het gaat om het verzoeken van een kinderbeschermingsmaatregel, of het nu om een Nederlands, een legaal of een illegaal hier verblijvend buitenlands kind gaat;
  • Het handelen van de Raad, inclusief het bevorderen van een kinderbeschermingsmaatregel, kan het kind zonder verblijfstitel geen verblijfsstatus verschaffen. De Raad zal dan ook bij al zijn voorgenomen acties rekening moeten houden met de tijdelijkheid van het verblijf van de illegaal hier verblijvende minderjarige;
  • Al heel lang geldt het uitgangspunt, dat er door alle betrokken instanties naar gestreefd dient te worden, dat kinderbeschermingsbeleid en vreemdelingenbeleid (nevengeschikt aan elkaar) elkaar niet doorkruisen. Zo zal de Raad zich er tijdens de onderzoeksfase in principe niet tegen verzetten als een kind zonder verblijfstitel wordt uitgezet (het staat de Raad natuurlijk vrij om argumenten, die tegen uitzetting pleiten, aan de IND kenbaar te maken, zoals het ontbreken van behoorlijke opvang in het land van herkomst). Maar dit neemt niet weg, dat de Raad zijn verantwoordelijkheid zal nemen zolang de minderjarige hier (illegaal) verblijft. Dit kan ook betekenen, dat de Raad bevordert dat tijdelijk in het gezag over de betrokken minderjarige wordt voorzien, waardoor BJZ de verantwoordelijkheid voor de zorg voor het kind zonder verblijfstitel op zich neemt;
  • Er wordt gepleit voor regulier overleg met de betrokken ketenpartners, met name de IND/Vreemdelingendienst, regionaal en landelijk. In dit overleg dient een goede afstemming plaats te vinden en een structuur te worden ontworpen die informatieuitwisseling in alle stadia vergemakkelijkt. In dit overleg kan, teneinde een constructieve samenwerking te bevorderen, tevens kennisoverdracht plaatsvinden over de (on)mogelijkheden van de jeugdzorg en de Raad;
  • Het genoemde uitgangspunt en het regulier overleg kunnen niet altijd voorkomen, dat er in de uitvoeringspraktijk verschillen van inzicht optreden tussen vreemdelingenbeleid en kinderbeschermingsbeleid. Dit pleit ervoor om in deze zaken in een zo vroeg mogelijk stadium met andere betrokken instanties (IND/Vreemdelingendienst, BJZ etc.) te overleggen, op eigen initiatief of op verzoek van die andere instanties.

PDF pagina

© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.