15 februari 2008
Op uitnodiging van het ministerie van Justitie heeft Defence for Children International - ECPAT advies gegeven over de ontwerp-wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen. Defence for Children - ECPAT vindt het terecht dat het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind (verder: IVRK), in het bijzonder het recht van het kind op welzijn, ontwikkeling en vrijwaring van mishandeling, als basis dient voor het voorstel.
In 2004 heeft Defence for Children - ECPAT een toetsingskader 'IVRK en jeugdzorg' ontwikkeld. Dit toetsingskader gaat uit van vier beginselen voor de jeugdzorg:
1. een jeugdzorg vrij van discriminatie;
2. een jeugdzorg met inspraak;
3. een jeugdzorg met kwaliteit;
4. een jeugdzorg met voldoende middelen.
Het ontwerp-wetsvoorstel is door Defence for Children - ECPAT met behulp van dit toetsingskader becommentarieerd. Daarbij staan tevens de rechten van het kind - zoals die voortvloeien uit het IVRK - centraal. Niet alle onderdelen uit het voorstel worden besproken; er wordt slechts ingegaan op onderdelen uit het ontwerp-wetsvoorstel die volgens Defence for Children - ECPAT op basis van het IVRK om nadere aandacht vragen. Hierbij een zeer beknopte samenvatting van de analyse. Klik hier voor het gehele document.
Zorgen om de jeugdzorg
De wachtlijsten en lange doorlooptijden in de jeugdzorg zijn onacceptabel en in strijd met artikel 3, 5, 18, 19, 20, 24 en 39 IVRK. Dit is een belangrijk knelpunt bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen. Bij de implementatie en uitvoering van het ontwerp-wetsvoorstel is hier bijzondere aandacht voor nodig.
Het indiceren en aanbieden van vervangende zorg dient voorkomen te worden omdat elk kind heeft op de meest passende zorg; dit vloeit voort uit artikel 3, 19, 20, 24 en 39 IVRK. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel: overheidsinmenging in het gezinsleven is alleen gerechtvaardigd als een kind beter af is met het geboden alternatief.
De kwaliteit van de jeugdzorg moet verbeteren; deze verplichting vloeit voort uit artikel 3 lid 3 IVRK. Bureaucratie in de jeugdzorg moet worden bestreden en verdere professionalisering van de jeugdzorg is noodzakelijk. Verder moet Bureau Jeugdzorg bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel voldoende zeggenschap hebben bij de invulling van vormen van jeugdzorg.
Wijzigingen OTS
De voorgestelde nieuwe grond voor een (lichte) OTS impliceert dat er voldoende aanbod van (jeugd)zorg moet worden aangeboden op vrijwillige basis voordat de maatregel van OTS wordt uitgesproken. Artikel 18 en 27 IVRK verplichten de overheid hiertoe. Armoede, nationaliteit en sociale, economische en etnische achtergrond mogen hierin geen rol spelen; elk kind heeft recht op een voldoende (outreachend) aanbod aan ondersteuning van de gezinssituatie.
Er moet in de wet een maximale termijn voor OTS met uithuisplaatsing in een pleeggezin worden opgenomen op basis van artikel 20 IVRK (recht op continuïteit en stabiliteit in de opvoeding). Voor kinderen van nul tot en met vijf jaar moet een maximale termijn van een jaar gelden; voor kinderen van zes tot en met elf jaar is een maximale termijn van twee jaar nodig. Hierbij moet intensieve hulp thuis direct worden gestart en is een uitzonderingsbepaling nodig voor situaties waarin het evident in strijd is met het belang van het kind om de maximale termijn toe te passen.
Elke verplaatsing van een pleegkind dat een jaar in een pleeggezin opgroeit, moet door de kinderrechter worden getoetst op grond van artikel 16 en 20 IVRK. Een blokkaderecht van pleegouders is onvoldoende, omdat in de praktijk blijkt dat pleegouders hier nauwelijks gebruik van maken. Het ontwerp-voorstel moet op dit punt worden aangepast.
Elke minderjarige moet actief worden betrokken in kinderbeschermingsprocedures op grond van artikel 12 IVRK. Dit betekent dat:
Op deze punten moet het ontwerp-voorstel worden aangepast.
De oudere, zelfstandige minderjarige heeft een speciale positie bij de uitvoering van een OTS en hier moet bij Bureau Jeugdzorg op grond van artikel 5 IVRK voldoende aandacht voor zijn. Bij de implementatie van het concept-voorstel kan hier in het bijzonder aandacht voor worden gevraagd.
Minderjarigen van twaalf jaar en ouder die in staat zijn tot een redelijke waardering van belangen hebben het recht om zelf te beslissen over medisch handelen; de gezagsbeperkende mogelijkheid bij OTS voor het geven van toestemming voor een medische behandeling moet worden beperkt tot minderjarigen jonger dan twaalf jaar, tenzij zij niet in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen.
Professionals die werken met minderjarigen die onder toezicht zijn gesteld, moeten op grond van artikel 19 en 39 IVRK de verplichting krijgen om informatie omtrent zorgen over een minderjarige te verstrekken aan Bureau Jeugdzorg. Het concept-voorstel is op dit punt te voorzichtig geformuleerd en moet worden aangepast.
Gezagsbeëindiging
De nieuwe maatregel van gezagsbeëindiging met de verplichting tot jaarlijkse rapportage over de uitvoering is op grond van artikel 3 IVRK een belangrijke stap vooruit. Bij gezagsbeëindiging verdienen pleegouders op grond van artikel 20 IVRK bijzondere aandacht. Wel is het de vraag waarom geen doelen moeten worden geformuleerd bij gezagsbeëindiging. Elke minderjarige onder voogdij moet zonder eerst een advocaat te vinden gebruik kunnen maken van de geschillenregeling.
Specialisme kinderrechter
Een kindvriendelijke toepassing van het kinderbeschermingsstelsel vraagt op grond van artikel 3 lid 3 IVRK om een sterk specialisme kinderrechter. Dit specialisme moet verder worden ontwikkeld en bewaakt.
Klik hier voor het hele advies.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.