5 januari 2012
Op 15 december 2011 heeft de rechtbank in Zwolle het belang van een elfjarig meisje om bij haar Surinaamse moeder te leven en haar recht op ontwikkeling centraal gesteld (link uitspraak). De rechtbank oordeelt dat de minister voor Immigratie en Asiel in verblijfsrechtelijke procedures voor ouders vanuit het perspectief van het kind moet kijken en niet alleen vanuit het perspectief van de ouders. Defence for Children had in deze zaak een ondersteunende kinderrechtenrapportage geschreven en is zeer verheugd dat de rechter de uitspraak voor een groot deel baseert op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: Kinderrechtenverdrag).
Achtergrond
In de jaren negentig komt de moeder van het meisje vanuit Suriname naar Nederland. In 2000 wordt het meisje geboren. Omdat de moeder problemen heeft, woont het meisje in pleeggezinnen en zij krijgt een verblijfsvergunning. Moeder en dochter onderhouden altijd contact en de moeder is de enige beschikbare biologische ouder. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) wijst het verzoek van de moeder voor een verblijfsvergunning op grond van gezinsleven met haar dochter af. In het afwijzende besluit stelt de IND centraal dat de moeder nooit een verblijfsvergunning heeft gehad en in het verleden veroordeeld is geweest voor strafrechtelijke delicten.
Beroep op het Kinderrechtenverdrag
De advocaat van de moeder pleit dat het besluit van de IND in strijd is met artikel 3 en 9 van het Kinderrechtenverdrag. Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag stelt dat bij alle maatregelen met betrekking tot kinderen, het belang van het kind voorop moet staan. Artikel 9 verplicht staten te waarborgen dat kinderen niet van hun ouders worden gescheiden en geeft kinderen het recht op persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met hun ouders. De IND stelt dat er geen beroep gedaan kan worden op het Kinderrechtenverdrag omdat de zaak niet over het kind gaat maar over de moeder.
Kinderen tellen mee in gezinsherenigingszaken
De rechtbank is het niet eens met de argumenten van de IND. De bepalingen uit het Kinderrechtenverdrag gelden voor alle kinderen op het Nederlandse grondgebied. Bij alle maatregelen die kinderen rechtstreeks raken, moet op grond van het Kinderrechtenverdrag het belang van het kind een eerste overweging vormen. Dit geldt ook voor vreemdelingrechtelijke besluiten die formeel aan de moeder zijn geadresseerd, maar een grote betekenis hebben voor het kind. Verschillende hulpverleners gaven aan dat het zeer schadelijk zou zijn voor de dochter wanneer zij wordt gescheiden van haar moeder en dat dit haar ontwikkeling zou verstoren. De IND is volgens de rechtbank onvoldoende ingegaan op de verklaringen van deze professionals. Ook had de IND het belang van het kind moeten motiveren en afwegen tegen andere belangen. Ze had dit niet af mogen doen door te stellen dat de zaak alleen de moeder betrof. Bij haar oordeel verwijst de rechtbank ook naar de kinderrechtenrapportage die Defence for Children schreef in deze zaak en naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die het Kinderrechtenverdrag gebruikt om de rechten uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te interpreteren.
Defence for Children is zeer verheugd over deze belangrijke uitspraak van de Rechtbank van Zwolle. De zaak benadrukt dat de positie van kinderen mee moet tellen in het gezinsmigratiebeleid.
Lees hier en hier eerdere berichten over het gezinsherenigingsbeleid.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.