23 juni 2011
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde op 7 juni 2011 in een zaak over een uithuisplaatsing van een jongere in een instelling voor gesloten jeugdzorg dat de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming tot in hoogste instantie aan de orde moet kunnen worden gesteld. De huidige lijn van de Hoge Raad om een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren in het geval de geldigheid van de oorspronkelijke uitspraak is verstreken, is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarnaast heeft het EHRM geoordeeld dat de beslissing over de rechtmatigheid binnen een redelijke termijn moet worden genomen.
In deze zaak was een minderjarige het niet eens met de uithuisplaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg en heeft de jongere de zaak uiteindelijk voorgelegd aan de Hoge Raad. Op het moment dat Hoge Raad de beslissing nam, was de geldigheid van de machtiging uithuisplaatsing reeds verstreken. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de machtiging betrekking had op een periode die inmiddels was verstreken. De Hoge Raad gaf dus geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming.
De jongere en zijn advocaat hebben de zaak vervolgens voorgelegd aan het EHRM. Het EHRM oordeelde dat de beslissing van de Hoge Raad in strijd is met artikel 5 lid 4 EVRM. Artikel 5 lid 4 EVRM garandeert voor personen waarvan de vrijheid is ontnomen, het recht om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming te laten toetsen en het recht op een spoedige beslissing hierover.
De procedure bij de Hoge Raad was niet effectief omdat de Hoge Raad geen oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming. Het EHRM merkte daarbij nog op dat iemand ook na vrijlating een juridisch belang kan hebben om de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming te laten toetsen, bijvoorbeeld om schadevergoeding te kunnen krijgen in het geval de vrijheidsbeneming onrechtmatig zou zijn geweest.
Een beslissing moet bovendien binnen een redelijke termijn worden genomen. Het EVRM verplicht de Staten niet om dit recht op meerdere niveaus aan te bieden (zowel hoger beroep als cassatie), maar als een Staat deze mogelijkheid biedt, dan gelden voor de 'hogere' procedures dezelfde garanties als in lagere procedures. Ook beslissingen in hoogste instantie moeten dus binnen een redelijke termijn worden genomen. De procedure bij de Hoge Raad duurde maar liefst 294 dagen. Er was geen aanwijsbare reden waarom de procedure bij de Hoge Raad zo lang heeft moeten duren, zeker gezien het feit dat de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep veel minder lang duurden. Het EHRM oordeelde dan ook dat de beslissing over de vrijheidsbeneming dan ook niet binnen redelijke termijn was genomen.
De Nederlandse Staat is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van 2000 euro wegens schending van artikel 5 lid 4 EVRM.
Defence for Children vindt deze uitspraak van het Europese Hof belangrijk voor de jongeren die verblijven in de instellingen voor gesloten jeugdzorg. In tegenstelling tot de huidige lijn, zal ook in het geval de duur van de machtiging waartegen beroep en cassatieberoep is ingesteld reeds is verstreken, een oordeel moeten worden gegeven over de vraag of de jongere rechtmatig van zijn of haar vrijheid is beroofd. Daarnaast wordt bevestigd dat ook in procedures bij hogere instanties waarin de rechtmatigheid van vrijheidsbeneming wordt betwist, er een recht bestaat op een spoedige beslissing.
Lees hier de uitspraak.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.