8 april 2011
Het aantal ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen van kinderen liet vanaf 2005 een onverwachte toename zien. Uit onderzoek van PI Research,in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum, blijkt dat tot 2008 een stijging te zien was in het aantal uitgevoerde ondertoezichtstellingen (34%) en verlengingen van de ondertoezichtstellingen (48%) en tot 2007 in het aantal uitgevoerde machtigingen uithuisplaatsing (47%) en verlengingen machtigingen uithuisplaatsing (58%).
In het onderzoek is gekeken naar de ontwikkelingen in het aantal ondertoezichtstellingen en machtigingen uithuisplaatsing in de periode 2005 tot 2009, met als doel de betrouwbaarheid van de bekende cijfers te onderzoeken en een zo goed mogelijk beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de aantallen ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen. Ook is gekeken naar eventuele regionale verschillen. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat er drie belangrijke factoren zijn aan te geven als mogelijke verklaringen voor de tijdelijke toename in het aantal kinderbeschermingsmaatregelen. Zo is door de ontwikkeling en implementatie van risico-taxatie-instrumenten de signalering verbeterd, waardoor meer gezinnen als risicogezinnen zijn herkend. Een grotere bekendheid van het Advies – en Meldpunt Kindermishandeling heeft er voor gezorgd dat de drempel om te melden is verlaagd. Een zogenaamd Savannah-effect wordt door de onderzoekers genoemd als een derde factor. De onderzoekers constateren verder dat er regionale verschillen zijn in het aantal ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen. Zo zijn er in regio's met stedelijke kenmerken relatief gezien een hoger aantal kinderbeschermingsmaatregelen. Dat zou te maken hebben met een hogere concentratie van gezinnen met ernstigere problematiek in deze regio's.
Defence for Children vindt het aantal ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen dat in Nederland wordt uitgesproken nog steeds hoog. In het Verdrag inzake de Rechten van het Kind wordt een belangrijke rol toebedeeld aan de ouders. Zij hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding van het kind (artikel 18 IVRK). De Staat dient de rechten en plichten van de ouders te eerbiedigen (artikel 5 IVRK) en de ouders te voorzien van passende begeleiding bij de opvoeding van het kind (artikel 18 lid 2 IVRK). Ingrijpen mag dan ook alleen als dit noodzakelijk is in het belang van het kind en niet voordat alle minder vergaande mogelijkheden hebben gefaald, of redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze zullen falen.
Tegelijkertijd heeft de Staat ook de plicht om kinderen te beschermen tegen alle vormen van kindermishandeling (artikel 19) en het kind een toereikende levensstandaard te bieden (artikel 27 IVRK). Het belang van het kind moet bovendien in alle beslissingen omtrent het kind een eerste overweging zijn. Om aan deze verplichting te kunnen voldoen, kan het soms noodzakelijk zijn om in te grijpen. Wanneer sprake is van een uithuisplaatsing bepaalt artikel 9 IVRK dat kinderen in beginsel niet tegen hun wil worden gescheiden van hun ouders. Indien echter de bevoegde autoriteiten beslissen dat deze scheiding in het belang van het kind noodzakelijk is, wordt op dit uitgangspunt een uitzondering gemaakt. De beslissing tot uithuisplaatsing en de uitvoering daarvan dienen dan op een zorgvuldige en transparante manier te gebeuren.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.