© Powered by SiteSpirit

 
bezoek ecpat.gif
 

Bannner Defence fro Children.jpg
Help ons - doneer nu!.jpg
2004-1 picto kl wij blijvenv2.png

Kinderen zonder verblijfsvergunning mogen nooit op straat worden gezet



webshop.png

De versterking van het Kinderrechtenverdrag in de rechtspraktijk

20 november 2009


Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van de het Kind (IVRK) bestaat twintig jaar. Voor Nederland is het Kinderrechtenverdrag al vijftien jaar in werking. Vijftien jaar Kinderrechtenverdrag in de Nederlandse rechtsprakijk, betekent gematigd positief terugkijken, maar vooral hoopvol vooruitzien. Het IVRK heeft een razendsnelle carrière achter de rug. Iedere jurist kent de afkorting van het Kinderrechtenverdrag. Als meest geratificeerde en meest breed geaccepteerde mensenrechteninstrument ter wereld heeft het gezorgd voor veel meer aandacht voor kinderrechten en verbeteringen van kinderrechten wereldwijd. In Nederland heeft het Kinderrechtenverdrag in beleid, wetgeving en rechtspraak een belangrijke plaats ingenomen.

Steeds meer organisaties beroepen zich op het Kinderrechtenverdrag bij het uitdragen van hun missie en beleid. In wetsvoorstellen wordt steeds vaker een paragraaf aan het Kinderrechtenverdrag gewijd, vooral als het gaat over familie- en jeugdkwesties. Steeds meer non-gouvernementele organisaties werken vanuit kinderrechtenperspectief met het Kinderrechtenverdrag in de hand. Het programmaministerie voor Jeugd en Gezin – welk bestaan vanuit het Kinderrechtenverdrag gezien belangrijke politieke winst is - heeft haar beleidsprogramma gebaseerd op het Kinderrechtenverdrag. Advocaten doen steeds vaker een beroep op het Kinderrechtenverdrag en rechters verwijzen erin hun uitspraken ook regelmatig naar.


Hoger rendement lagere rechters

In de eerste periode van het Kinderrechtenverdrag in Nederland moest het verdrag nog bekend raken in de rechtspraak. Van 1995 tot en met 2001 waren er in totaal zeventig rechterlijke uitspraken te vinden waarin het IVRK werd genoemd (Ruitenberg, Het Internationaal Kinderrechtenverdrag in de Nederlandse rechtspraak, Amsterdam: SWP 2003) In 2007 en 2008 zijn er jaarlijks zo'n tachtig rechterlijke uitspraken te vinden (op rechtspraak.nl) waarin het IVRK is genoemd. Wat valt daar nu uit te concluderen? In elk geval dat het Kinderrechtenverdrag in de rechtspraak meer bekendheid heeft gekregen, maar veel meer valt daar nog niet over te zeggen. Heeft de toename van het IVRK in rechterlijke uitspraken nu ook tot successen geleid?

Er waren de afgelopen jaren inspirerende voorbeeld-uitspraken waarbij toepassing van het Kinderrechtenverdrag een tegemoetkoming aan de positie van kinderen betekende. Ik noem er slechts enkele. De Centrale Raad van Beroep deed op 24 januari 2006 (LJN AV0197) de belangrijke uitspraak dat 'illegale' (in afwachting van een beslissing) kinderen op grond van artikel 2, 3 en 27 IVRK recht hebben op bijstand voor de vervulling van de basale levensbehoeften: onderdak, voedsel en kleding. De rechtbank Groningen oordeelde op 20 december 2006 (LJN AZ5794) onder verwijzing naar artikel 20 en 40 IVRK tot een onrechtmatig handelen van de staat door een minderjarige met een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing 7,5 maand in een justitiële jeugdinrichting te laten wachten op een behandelplek, ook al ontving de minderjarige daar na enige tijd gedragstherapie. Vanaf dag één was namelijk al duidelijk welke behandeling de minderjarige nodig had. De rechtbank Roermond besliste op 16 februari 2009 (LJN BH7431) tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie omdat de beslissing tot vervolging van een dertienjarige die op het schoolplein enkele kleuters bij hun billen pakte in strijd zou zijn met artikel 3 en 40 IVRK. Voorbeelden waaruit blijkt dat het IVRK daadwerkelijk betekenis kan hebben in gerechtelijke procedures.

Vooral in de lagere rechtspraak zijn meer voorbeelden te vinden waarbij het IVRK niet alleen is genoemd, maar tot succes voor het kind in kwestie leidde. Er zijn echter ook teleurstellende uitspraken, en die zijn nu juist vooral te vinden bij de hoogste rechtscolleges. Zo besliste de Hoge Raad op 14 mei 2008 (LJN BC8231) dat het IVRK geen betekenis had voor de standaard DNA-afname bij veroordeelden en dat minderjarigen hierbij geen recht hebben op een aparte benadering, nu de wetgever deze bedoeling niet had. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft herhaaldelijk geoordeeld dat artikel 3 IVRK geen rechtstreekse werking heeft en dat deze bepaling beslissingen tot bijvoorbeeld het afwijzen van een verblijfsvergunning niet tegenhoudt. Van de hoogste rechtscolleges heeft alleen nog de Centrale Raad van Beroep op grond van IVRK-bepalingen een voor het kind gunstige beslissing genomen.


Onenigheid over interpretatie

Het Kinderrechtenverdrag wordt te pas en te onpas ingeroepen in wetgeving en rechtspraak en genoemd als legitimatie voor beleid. Er is soms onenigheid over de betekenis van bepalingen en rechtstreekse werking van het IVRK. Waar de wetgever het Kinderrechtenverdrag als legitimatie voor gesloten jeugdzorg voor achttien-plussers opvoert, is de rechter van mening dat dit juist in strijd is met het IVRK (rechtbank Roermond 8 april 2009, LJN BI0864). Waar de advocaat vindt dat het IVRK vraagt om een aparte regeling voor DNA-afname bij minderjarige veroordeelden, ziet de Hoge Raad in de bedoeling van de wetgever juist een reden om bij DNA-afname minderjarigen niet anders dan volwassenen te benaderen en het IVRK geen rol te laten spelen. En zo zijn er veel meer voorbeelden te noemen.


De uitdaging zal in de komende twintig jaar dan ook zijn om – nu het Kinderrechtenverdrag voldoende bekend is in de rechtspraktijk – op zoek te gaan naar interpretatie-instrumenten. De documenten van het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind, zoals de General Comments, kunnen daarbij helpen. Daarnaast is het belangrijk om voortdurend discussie te blijven voeren over de betekenis die IVRK-bepalingen in wetgeving, rechtspraak en juridisch beleid zouden kunnen en moeten hebben. En natuurlijk zal een versterking van het Kinderrechtenverdrag via rechterlijke uitspraken ontwikkeld moeten worden. Advocaten, officieren van justitie en rechters hebben hier een belangrijke rol te vervullen.


Meer klachtmogelijkheden gewenst

Behalve meer dialoog over de interpretatie van IVRK-bepalingen is het belangrijk dat kinderen en jongeren zelf meer mogelijkheden krijgen om kinderrechtenschendingen aan de kaak te stellen. Zij zijn nu voor een groot deel afhankelijk van belangenbehartigers – ouders, advocaten, bijzondere curatoren – die dit voor en namens hen willen doen. Voor een versterking van de eigen positie van deze jongeren is de introductie van een kinderombudsman in Nederland belangrijke winst. Hier kunnen kinderen straks op laagdrempelige wijze klagen over kinderrechtenschendingen. Daarnaast is het belangrijk dat er een klachtprocedure komt bij het IVRK, zodat jongeren zelf bij een internationaal orgaan een klacht kunnen neerleggen als de nationale middelen hiertoe zijn uitgeput. Met een kinderombudsman die klachten in behandeling neemt en een klachtmogelijkheid bij het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind zal de betekenis van het Kinderrechtenverdrag zeker toenemen. Zo wordt het Kinderrechtenverdrag in de komende twintig jaar een nog belangrijker instrument ter bescherming van kinderrechten.


Auteur

Mariëlle Bruning is hoogleraar jeugdrecht aan de Universiteit van Leiden en werkt bij Defence for Children-ECPAT op het terrein van jeugdzorg en kindermishandeling. Een verkorte versie van dit artikel verscheen in de uitgave van de Kinderrechtentop 2009.


PDF pagina

© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.