In één zin formuleer je een vraag over een bepaald onderwerp. In het werkstuk ga je die vraag beantwoorden. Daarvoor ga je eerst informatie zoeken en opschrijven. Met de informatie geef je een antwoord op de vraag. En zo geef je jouw mening over het onderwerp. Voorbeelden van vragen:
Het onderwerp dat je beschrijft, heeft op de een of andere manier ook te maken met jouw eigen leven. Heb jijzelf (of iemand die je kent) zoiets meegemaakt? Ben jij lid van een organisatie die zich bezig houdt met bepaalde kinderrechten? Heb jij iets gelezen wat je heel onrechtvaardig vindt of waarover jij je zorgen maakt? Vertel de lezers waarom je een antwoord op deze vraag wilt hebben.
Je gaat nu kort en duidelijk schrijven over het onderwerp. Gebruik in je verhaal zoveel mogelijk verschillende informatiebronnen. Lees deze zorgvuldig en schrijf kernwoorden op waarover je wilt schrijven. Schrijf dan per kernwoord in je eigen woorden een stukje. Deze vormen de hoofdstukken.
Je sluit af met een conclusie. Je herhaalt de vraag en je maakt een samenvatting van de verschillende argumenten die je hebt gevonden.
Het werkstuk sluit je af met jouw mening. Je beschrijft wat jij ervan vindt, wat er volgens jou moet veranderen, waarmee je het helemaal niet eens bent, of wat jij ervan hebt geleerd. Want door het maken van dit werkstuk heb jij een duidelijke eigen mening gekregen over het onderwerp! Misschien concludeer je, dat je nog geen antwoord hebt kunnen geven op de vraag of dat je nog geen eigen mening hebt kunnen vormen. Schrijf dan op waardoor dat komt.
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.