Seksueel contact met een minderjarige is strafbaar, wanneer dit contact tegen de zin van de minderjarigen is of als de minderjarige deze contacten niet kan weigeren. Daders zetten minderjarigen bijvoorbeeld emotioneel onder druk, dwingen de minderjarige tot seksuele handelingen of zorgen door hun overwicht dat de minderjarige geen nee durft te zeggen tegen seksuele toenaderingen. De handelingen vinden dan plaats onder dwang.
Als seksuele handelingen tegen betaling van geld of goederen, door misbruik van verhoudingen voortvloeiend uit overwicht, misleiding of in de vorm van prostitutie plaatsvinden, geldt een leeftijdsgrens van achttien jaar en is dwang niet noodzakelijk. Degene die misbruik maakt van een minderjarige of gebruik maakt van een minderjarige prostituee is strafbaar met een maximum gevangenisstraf van vier jaar of een geldboete van de vierde categorie (artikelen 248a en 248b van het Wetboek van Strafrecht).
Het voor prostitutie aanbieden van minderjarigen door derden met winstbejag wordt in Nederland altijd gezien als mensenhandel. Het vereiste van dwang dat geldt voor mensenhandel van volwassenen, wordt in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht niet vereist. Ook hoeft de dader niet op de hoogte geweest te zijn van de minderjarigheid van het slachtoffer. Onder handel in minderjarigen wordt in de Nederlandse wetgeving verstaan: "het werven, vervoeren, overbrengen of huisvesten of opnemen van minderjarigen met het oogmerk van uitbuiting. Uitbuiting omvat tenminste uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting…" (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht). De maximumstraf die kan worden opgelegd voor het begaan van dit misdrijf varieert van zes tot tien jaar. Er zijn strafverzwarende omstandigheden wanneer de minderjarige jonger dan zestien jaar is en wanneer twee of meer personen samen een minderjarige (of minderjarigen) uitbuiten. Wanneer de uitbuiting zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge heeft, kan maximaal vijftien jaar gevangenisstraf worden geëist.
Hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 biedt slachtoffers en getuigen van mensenhandel een tijdelijk recht op verblijf (B9 VVR) met opvang, onderdak, medische bijstand, rechtshulp, levensonderhoud en het recht om te werken. De duur van het verblijf is gekoppeld aan de procedure tegen de verdachte. Voorwaarden zijn dat het slachtoffer vreemdeling is en mee wil werken aan het opsporings- en vervolgingsonderzoek en het proces tegen de verdachte van mensenhandel.
Mensenhandel moet niet worden verward met mensensmokkel. Mensensmokkel is het assisteren van mensen bij illegale binnenkomst, verblijf of doorreis (artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht). Mensensmokkel is gericht op illegale grensoverschrijding en niet op uitbuiting. Het komt voor dat een gesmokkelde aansluitend wordt uitgebuit, bijvoorbeeld om de reissom terug te betalen en dan alsnog slachtoffer van mensenhandel wordt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn.
Het VN-Kinderrechtenverdrag bestaat sinds 1989 en gaat over alles waar kinderen mee te maken kunnen krijgen vanaf de geboorte tot aan de achttiende verjaardag. Volgens het Kinderrechtenverdrag moet de overheid alle mogelijke maatregelen nemen om seksuele uitbuiting van kinderen te bestrijden en te voorkomen. Het VN-Kinderrechtenverdrag is ondertekend door 193 landen (alle VN-landen, behalve de Verenigde Staten en Somalië). In Nederland is het Kinderrechtenverdrag sinds 1995 van kracht. Artikel 34 en 35 gaan specifiek over de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik, seksuele uitbuiting en handel.
Artikel 34
Het kind heeft recht op bescherming tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. De overheid moet maatregelen nemen om kinderprostitutie en kinderpornografie te voorkomen. Hiertoe nemen de Staten die partij zijn alle passende maatregelen om te voorkomen dat:
- een kind ertoe wordt aangespoord of gedwongen deel te nemen aan onwettige sexuele activiteiten;
- kinderen worden geëxploiteerd in de prostitutie of andere onwettige sexuele praktijken;
- kinderen worden geëxploiteerd in pornografische voorstellingen en pornografisch materiaal.
Artikel 35
Het kind heeft recht op bescherming tegen ontvoering en mensenhandel. De overheid moet er alles doen om te voorkomen dat kinderen worden ontvoerd, verkocht of verhandeld, voor welk doel of in welke vorm ook.
Relatie met andere artikelen van het Kinderrechtenverdrag
Artikel 34 en 35 van het VN-Kinderrechtenverdrag hangen nauw samen met de andere artikelen die zich richten op de bescherming van kinderen tegen uitbuiting, zoals economische uitbuiting (artikel 32) en andere vormen van uitbuiting (artikel 36). Artikel 34 dient ook in relatie te worden gezien met artikel 19 en artikel 39 van VN-Kinderrechtenverdrag. Artikel 19 is echter veel breder en bepaalt dat het kind recht heeft op bescherming tegen alle vormen van misbruik en verwaarlozing, inclusief uitbuiting en seksueel misbruik. Artikel 39 gaat specifiek over het recht op bijzondere zorg voor kinderen die slachtoffer zijn van uitbuiting of misbruik.
Dit Facultatief Protocol hoort bij het VN-Kinderrechtenverdrag en is bedoeld om de tekst van artikel 34 en 35 aan te scherpen. Evenals het Kinderrechtenverdrag roept het Facultatief Protocol de landen die partij zijn op tot het verbieden van de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie. Het Facultatief Protocol is echter veel uitgebreider en zorgt daarmee ook voor verbeteringen met betrekking tot opsporing en vervolging en kindvriendelijke juridische procedures. Het vestigt ook de aandacht op het onevenredige aantal meisjes dat slachtoffer is van seksuele uitbuiting.
Nederland heeft op 26 januari 2000 het Facultatieve Protocol over seksuele uitbuiting van kinderen ondertekend en op 23 augustus 2005 geratificeerd. Klik hier voor het protocol en hier voor de Nederlandse samenvatting. Klik hier voor een handleiding bij het protocol (UNICEF).
© 2009 Defence for Children International Nederland - All rights reserved.